IQ per leeftijd: tabel, gemiddelde en wat er echt verandert
- Geschreven door
- IQCognify Editorial Team
- Bronnencontrole
- IQCognify Research Review Process
- Laatst bijgewerkt
- Leestijd
- 12 min.
Kort antwoord
Het gemiddelde IQ is op elke leeftijd 100: bij een kind van acht net zo goed als bij iemand van zeventig. Dat is geen toeval maar een keuze. Een IQ-test vergelijkt je uitslag altijd met mensen van je eigen leeftijd. Wat in de loop van het leven wél verandert, is de ruwe prestatie, en die volgt niet één curve maar meerdere. Op deze pagina vind je de IQ-tabel die voor elke leeftijd geldt, de leeftijden waarop afzonderlijke vaardigheden hun hoogtepunt bereiken en de Nederlandstalige tests met hun leeftijdsgrenzen.
Probeer het meteen: een gratis IQ-test in het Nederlands, ongeveer 12 minuten, zonder account.Naar de test
Bestaat er een IQ-tabel per leeftijd?
Wie zoekt op ‘IQ per leeftijd’, verwacht meestal een tabel: links de leeftijd, rechts het gemiddelde IQ. Zulke tabellen circuleren online, vaak met waarden ver onder de 100 voor jonge kinderen of voor ouderen. Ze berusten op een misverstand over wat een IQ-score is.
Een IQ-score is geen hoeveelheid, maar een positie. Hij zegt niet hoeveel intelligentie iemand heeft, maar waar een uitslag ligt ten opzichte van leeftijdsgenoten. De schaal is zo gekozen dat het gemiddelde van elke leeftijdsgroep 100 is en de standaarddeviatie 15.
Het korte antwoord
Het gemiddelde IQ is op 8, op 40 en op 80 jaar 100. Een tabel die voor een bepaalde leeftijd een ander gemiddelde noemt, haalt het IQ en de ruwe prestatie door elkaar, of gebruikt gegevens die geen normgroep zijn.
IQ-tabel: niveaus en aandelen (voor elke leeftijd gelijk)
De tabel hieronder is de eigenlijke ‘IQ per leeftijd tabel’. Hij geldt voor een kind van acht net zo goed als voor een vrouw van tachtig, omdat iedere uitslag met de eigen leeftijdsgroep wordt vergeleken. De aandelen volgen rekenkundig uit de normaalverdeling met gemiddelde 100 en standaarddeviatie 15.
| IQ | Aandeel van de leeftijdsgroep | Percentiel (grens) | Gebruikelijke omschrijving |
|---|---|---|---|
| onder 70 | ca. 2 % | onder 2 | ver beneden gemiddeld |
| 70 tot 85 | ca. 14 % | 2 tot 16 | beneden gemiddeld |
| 85 tot 115 | ca. 68 % | 16 tot 84 | gemiddeld bereik |
| 115 tot 130 | ca. 14 % | 84 tot 98 | boven gemiddeld |
| 130 en hoger | ca. 2 % | 98 en hoger | ver boven gemiddeld, vaak ‘hoogbegaafd’ genoemd |
Een percentiel geeft aan welk deel van de leeftijdsgroep even hoog of lager scoort. Een kind met een IQ van 115 zit rond percentiel 84: van elke honderd leeftijdsgenoten scoren er ongeveer 84 even hoog of lager.
Rekenwaarden, geen meting
Deze aandelen volgen uit de constructie van de schaal, niet uit een onderzoek onder de Nederlandse bevolking. De omschrijvingen per niveau verschillen bovendien per test en per instelling. Een IQ-score is daarom alleen te begrijpen samen met de test waarmee hij is gemeten.
Ruwe score en normscore: waarom het gemiddelde altijd 100 is
Bij een test ontstaat eerst een ruwe score: het aantal goed opgeloste opgaven, soms gewogen naar moeilijkheid. Die ruwe score wordt vergeleken met een normgroep van dezelfde leeftijd en omgerekend naar een normscore. Die normscore is het IQ dat je uiteindelijk te horen krijgt.
Een vereenvoudigd voorbeeld. Een jongen van acht, een vrouw van dertig en een man van vijfenzeventig lossen in dezelfde denktest evenveel opgaven op. Hun ruwe score is gelijk, hun IQ niet. Vergeleken met andere achtjarigen scoort de jongen waarschijnlijk ver boven gemiddeld, de dertigjarige komt eerder beneden gemiddeld uit en de vijfenzeventigjarige weer hoger. Ieder wordt namelijk met leeftijdsgenoten vergeleken.
Dat is niet altijd zo geweest. Het begrip intelligentiequotiënt gaat terug op de Duitse psycholoog William Stern, die het in 1912 voorstelde: mentale leeftijd gedeeld door kalenderleeftijd. Bij kinderen werkte dat, omdat hun prestaties elk jaar toenemen. Bij volwassenen niet: hun prestaties blijven niet stijgen, dus het quotiënt zou met elk levensjaar kleiner worden. David Wechsler verving dit quotiënt in 1939 door het deviatie-IQ, dat de positie binnen de leeftijdsgroep aangeeft. Moderne tests werken nog steeds volgens dat principe.
Wie vraagt of je IQ daalt met de leeftijd, stelt dus eigenlijk twee vragen. Daalt de ruwe prestatie? Op sommige terreinen wel. Daalt de normscore? Gemiddeld niet, omdat de vergelijkingsgroep mee veroudert.
Op welke leeftijd piekt welke vaardigheid?
De echt interessante vraag is hoe de ruwe prestatie zich over het leven ontwikkelt. Een van de meest gedetailleerde antwoorden komt van Joshua Hartshorne en Laura Germine (2015). Zij analyseerden gegevens van 48.537 online deelnemers en vergeleken die met de normgegevens van gestandaardiseerde intelligentie- en geheugentests. Hun belangrijkste bevinding: er is niet één piek. Sommige vaardigheden bereiken hun hoogtepunt rond het einde van de middelbare school, andere pas na je veertigste of later.
| Vaardigheid | Piek rond | Daarna |
|---|---|---|
| Verwerkingssnelheid (bijv. een cijfer-symbooltaak) | 18 à 19 jaar | daling begint vroeg |
| Kortetermijngeheugen | rond 25 jaar | plateau tot ongeveer 35, daarna daling |
| Gezichten herkennen | begin dertig | geleidelijke daling |
| Werkgeheugen | rond 30 | daarna daling |
| Emoties in gezichten herkennen | breed plateau van 40 tot 60 | lang stabiel |
| Woordenschat | eind zestig, begin zeventig (online gegevens) | blijft tot op hoge leeftijd hoog |
Zo lees je deze tabel
De leeftijden geven aan wanneer de gemiddelde prestatie van een leeftijdsgroep het hoogst is. Het zijn geen voorspellingen voor één persoon en geen IQ-scores. In de oudere normgegevens van de Wechsler-tests lag de piek van de woordenschat eerder, rond 50 jaar.
Wanneer de achteruitgang begint, is in het onderzoek omstreden. Transversaal onderzoek, dat jongeren en ouderen op hetzelfde moment vergelijkt, laat al tussen 18 en 60 jaar lagere prestaties bij ouderen zien. Longitudinaal onderzoek, dat dezelfde mensen jarenlang volgt, vindt vaak pas veel later een daling. Timothy Salthouse (2009) liet zien dat een belangrijke reden het oefeneffect is: wie een test herhaalt, scoort alleen al door ervaring beter, en dat verhult een daling. Hij concludeert dat sommige aspecten van cognitieve veroudering al beginnen als mensen in de twintig of dertig zijn.
Vloeibare en gekristalliseerde intelligentie door het leven heen
De psychologie onderscheidt twee brede domeinen. Vloeibare intelligentie is het vermogen om nieuwe problemen op te lossen zonder specifieke voorkennis. Gekristalliseerde intelligentie is opgebouwde kennis: woordenschat, vakkennis, ervaring. Het onderscheid gaat terug op Raymond Cattell, die het samen met John Horn uitwerkte.
Op volwassen leeftijd verlopen beide domeinen verschillend. Elliot Tucker-Drob en collega's vatten de stand van het onderzoek zo samen: vloeibare vaardigheden nemen gemiddeld af, gekristalliseerde nemen tot op hogere leeftijd toe.
Dat betekent niet dat groeiende kennis de achteruitgang gewoon compenseert. Hetzelfde onderzoek laat zien dat de veranderingen in beide domeinen sterk samenhangen: wie op het vloeibare vlak meer verliest, wint op het gekristalliseerde vlak doorgaans minder. Het populaire idee dat ervaring een trager denktempo goedmaakt, klopt dus maar gedeeltelijk.
Grote verschillen tussen mensen
Alle verlopen op deze pagina zijn gemiddelden. De verschillen tussen mensen van dezelfde leeftijd zijn groot. Van een leeftijdsgroep kun je niets afleiden over één persoon.
IQ bij kinderen: wat is normaal op welke leeftijd?
Voor kinderen geldt dezelfde tabel als voor volwassenen. Een kind van tien met een IQ van 100 zit precies in het midden van alle tienjarigen, en een score tussen 85 en 115 geldt op elke leeftijd als gemiddeld. Een ‘normaal IQ voor een kind van twaalf’ dat van 100 afwijkt, bestaat niet.
Van hoogbegaafdheid wordt meestal gesproken vanaf een IQ van ongeveer 130. Dat komt neer op grofweg de bovenste 2 % van de leeftijdsgroep. Die grens is een afspraak, geen natuurlijke drempel, en een losse testuitslag heeft altijd een meetfout van een paar punten. In de Nederlandse vakliteratuur wordt ‘hoogbegaafd’ bovendien vaak pas gebruikt als er naast een hoog IQ ook aan andere kenmerken is voldaan.
Bij heel jonge kinderen is voorzichtigheid extra op zijn plaats. De Commissie Psychodiagnostiek van de Belgische Federatie van Psychologen beoordeelt de WPPSI-IV-NL voor 2;6 tot 3;11 jaar als een specifieke test van cognitieve vaardigheden en pas vanaf 4 jaar als een algemene intelligentietest.
Een testuitslag zegt alleen iets als de test past bij de leeftijd, recente normen heeft en individueel is afgenomen door een psycholoog of orthopedagoog die daarvoor bevoegd is. Professionals baseren grote beslissingen, bijvoorbeeld over schoolkeuze, niet op één getal maar op meerdere bronnen.
Online tests zijn niet geschikt voor kinderen
Dat geldt ook voor onze eigen test. Die is bedoeld voor jongeren vanaf 13 jaar en volwassenen, is niet op leeftijd genormeerd en vervangt geen psychologisch onderzoek.
Daalt je IQ als je ouder wordt?
De normscore blijft bij de meeste volwassenen vrij stabiel. Wie op 25-jarige leeftijd boven gemiddeld scoort, doet dat decennia later meestal nog steeds, omdat op beide momenten met de eigen leeftijdsgroep wordt vergeleken.
Longitudinale gegevens bevestigen dat. Ian Deary en collega's onderzochten mensen van wie de intelligentie op 11-jarige leeftijd en opnieuw op hoge leeftijd was gemeten. De rangorde tussen personen bleek over die decennia opvallend stabiel. Het gaat daarbij om de relatieve positie, niet om scores die precies gelijk bleven.
Stabiel betekent niet onveranderlijk. Opleiding, gezondheid en ingrijpende gebeurtenissen beïnvloeden de uitslag, en elke meting heeft een meetfout. Een testuitslag is een schatting, geen exacte grootheid.
Normaal ouder worden of meer?
Iets trager denken en af en toe even naar een woord zoeken horen bij normaal ouder worden. Merk je bij jezelf of een naaste duidelijke veranderingen in het dagelijks leven, zoals moeite met de weg vinden of met vertrouwde taken, laat dat dan nakijken door de huisarts. Een IQ-test is daarvoor het verkeerde middel.
Het Flynn-effect: verandering tussen generaties
Er is nog een derde soort verandering, die niets met je eigen veroudering te maken heeft. Gedurende een groot deel van de twintigste eeuw stegen de gemiddelde testprestaties van generatie op generatie. Dat verschijnsel heet het Flynn-effect.
Nederland levert daarvan een van de bekendste voorbeelden. Vrijwel alle 18-jarige mannen werden voor de dienstplicht gekeurd. Wie medisch werd goedgekeurd, maakte een vaste versie van 40 opgaven uit de Raven-matrices. James Flynn (1987) berekende dat de prestaties tussen 1952 en 1982 met ongeveer 20 IQ-punten stegen, grofweg het verschil tussen een generatie vaders en hun zonen. Opleiding en sociale achtergrond verklaarden volgens hem maar een klein deel van die stijging.
Een meta-analyse van Jakob Pietschnig en Martin Voracek (2015) bundelt 271 steekproeven uit 31 landen met bijna vier miljoen deelnemers uit de jaren 1909 tot 2013. De winst bedroeg naar schatting 0,41 IQ-punt per jaar voor vloeibare, 0,30 voor ruimtelijke en 0,21 voor gekristalliseerde prestaties, en 0,28 voor het totale IQ: bijna 3 punten per tien jaar. In recentere decennia was de winst kleiner. Welke factoren het effect veroorzaken, is nog niet opgehelderd.
Het Flynn-effect is ook de reden dat tests regelmatig opnieuw worden genormeerd. Elke nieuwe normering op een actuele steekproef zet het gemiddelde weer op 100. Een test met sterk verouderde normen meet daardoor onnauwkeurig.
Nederlandstalige intelligentietests per leeftijd
In Nederland en Vlaanderen worden intelligentietests genormeerd op Nederlandse en Vlaamse steekproeven, met normen per leeftijdsgroep. Welke test wordt gebruikt, hangt vooral af van de leeftijd. De gegevens komen van de uitgevers Pearson en Hogrefe en uit de diagnostische fiches van Prodia (stand: september 2026).
| Test | Leeftijd | Uitgave | Normgroep |
|---|---|---|---|
| WPPSI-IV-NL (jonge kinderen) | 2;6 tot en met 6;11 jaar | Pearson, 2020 | ca. 1.600 kinderen uit Nederland en Vlaanderen |
| WISC-V-NL (kinderen en jongeren) | 6;0 tot en met 16;11 jaar | Pearson, 2017 | 1.433 kinderen (1.038 NL, 395 VL), afgenomen 2016–2017 |
| IDS-2 (intelligentie en ontwikkeling) | 5 tot 20 jaar | Hogrefe, 2018 | 1.665 kinderen en jongeren in Nederland, 2016–2017 |
| WAIS-IV-NL (volwassenen) | 16;0 tot en met 84;11 jaar | Pearson, 2012 | ruim 1.500 personen (NL en VL), afgenomen 2010–2011 |
| SON-R 2-8 (niet-verbaal) | 2;0 tot en met 7;11 jaar | Hogrefe, 2017 | Nederlands normonderzoek in 2016 |
| SON-R 6-40 (niet-verbaal) | 6 tot 40 jaar | Hogrefe, 2011 | ca. 2.000 personen uit Nederland en Duitsland, 2009–2011 |
De SON-tests zijn van oorsprong Nederlands: de eerste versie werd ontwikkeld door de Nederlandse psychologe Nan Snijders-Oomen, voor onderzoek bij dove kinderen. De huidige SON-R-tests werken nog steeds zonder gesproken of geschreven taal. Ze worden onder meer gebruikt bij kinderen en volwassenen voor wie een talige test geen eerlijk beeld geeft, zoals doven en slechthorenden of mensen die het Nederlands nog niet goed beheersen.
Daaruit volgt iets praktisch: een IQ-score is maar zo zinvol als de normgroep waarop hij is gebaseerd. Een test die op een Amerikaanse steekproef is genormeerd, beschrijft je positie binnen die steekproef, niet binnen de Nederlandse bevolking.
Kun je je IQ verhogen?
Binnen grenzen. Het best onderbouwd is het effect van onderwijs. Een meta-analyse van Stuart Ritchie en Elliot Tucker-Drob (2018) op basis van 142 effectgroottes uit 42 datasets met meer dan 600.000 deelnemers vond per extra jaar onderwijs een winst van ongeveer 1 tot 5 IQ-punten. Die effecten hielden over de hele levensloop stand en waren in alle onderzochte vaardigheden zichtbaar.
Voor breintraining ligt dat anders. Een uitgebreid overzichtsartikel van Daniel Simons en collega's (2016) vond veel bewijs dat zulke programma's de geoefende taak verbeteren, minder bewijs voor nauw verwante taken en nauwelijks bewijs voor effecten op verder afgelegen taken of op het denken in het dagelijks leven.
Algemene gezondheidstips
De punten hieronder zijn algemene adviezen voor lichamelijke en geestelijke gezondheid. We noemen ze nadrukkelijk niet als bewijs dat ze je IQ verhogen.
- Blijf lichamelijk actief en let op je hart, bloedvaten en bloedsuiker.
- Blijf leren en zoek activiteiten of hobby's die je denkvermogen uitdagen.
- Zorg voor voldoende slaap en ga bewust om met stress en psychische klachten.
- Laat problemen met horen of zien nakijken.
Pas op met ‘gemiddeld IQ per leeftijd’ op internet
Sommige websites publiceren een gemiddeld IQ per leeftijdsgroep, berekend uit de uitslagen van hun eigen online test, soms met cijfers achter de komma en miljoenen deelnemers. Zulke getallen zien er precies uit, maar het zijn geen normgegevens.
- De deelnemers selecteren zichzelf. Wie online een IQ-test doet, is niet representatief voor zijn leeftijdsgroep.
- De omstandigheden zijn niet gecontroleerd: geen toezicht, herhaalde pogingen, hulpmiddelen wel of niet toegestaan.
- Is een uitslag genormeerd op de eigen leeftijdsgroep, dan is het gemiddelde van die groep per definitie 100. Wijkt het af, dan is de test niet op leeftijd genormeerd.
- Ook losse percentages kloppen vaak niet. Je leest bijvoorbeeld dat 84 % van de kinderen tussen 90 en 110 scoort. Volgens de normaalverdeling is dat ongeveer 52 %; 84 % van de kinderen scoort juist lager dan 115.
Geen Nederlandse leeftijdsgemiddelden op deze pagina
Betrouwbare, citeerbare cijfers over het gemiddelde IQ per leeftijdsgroep specifiek voor Nederland hebben we niet, en we verzinnen ze ook niet.
Veelgestelde vragen
Bestaat er een IQ per leeftijd tabel?+
Niet in de zin dat elke leeftijd een eigen gemiddeld IQ heeft. Omdat IQ-tests op leeftijd zijn genormeerd, is het gemiddelde in elke leeftijdsgroep 100. De zinvolle IQ-tabel toont niveaus en percentielen, en die is voor elke leeftijd gelijk: ongeveer 68 % scoort tussen 85 en 115.
Wat is een normaal IQ voor een kind van 6, 10 of 12 jaar?+
Hetzelfde als voor volwassenen: het gemiddelde is 100, en scores tussen 85 en 115 gelden als gemiddeld. Een kind wordt altijd vergeleken met leeftijdsgenoten, dus een normaal IQ is op 6 jaar niet lager dan op 12 jaar.
Op welke leeftijd ben je het slimst?+
Er is niet één piek voor alle vaardigheden. Volgens Hartshorne en Germine (2015) piekt de verwerkingssnelheid rond 18 à 19 jaar, het werkgeheugen rond 30, het herkennen van emoties tussen 40 en 60 en de woordenschat pas na je zestigste.
Daalt je IQ met de leeftijd?+
De normscore blijft gemiddeld 100, omdat je met je eigen leeftijdsgroep wordt vergeleken. De ruwe prestatie verandert wel: vloeibare vaardigheden zoals denktempo nemen op volwassen leeftijd gemiddeld af, gekristalliseerde zoals woordenschat nemen tot op hogere leeftijd toe. De verschillen tussen mensen zijn groot.
Vanaf welk IQ is een kind hoogbegaafd?+
Meestal vanaf een IQ van ongeveer 130, grofweg de bovenste 2 % van de leeftijdsgroep. Vaak wordt ‘hoogbegaafd’ pas gebruikt als er naast een hoog IQ ook andere kenmerken zijn. Het onderzoek hoort thuis bij een bevoegde professional met een recent genormeerde test zoals de WISC-V-NL, niet bij een online test.
Welke IQ-test past bij welke leeftijd?+
In Nederland onder meer de WPPSI-IV-NL van 2;6 tot en met 6;11 jaar, de WISC-V-NL van 6 tot en met 16 jaar, de IDS-2 van 5 tot 20 jaar en de WAIS-IV-NL van 16 tot en met 84 jaar. De SON-R-tests meten zonder taal.
Wat is het Flynn-effect?+
De stijging van de gemiddelde testprestaties van generatie op generatie, gedurende een groot deel van de twintigste eeuw bijna 3 IQ-punten per tien jaar. Bij Nederlandse dienstplichtigen stegen de scores op de Raven-matrices tussen 1952 en 1982 met ongeveer 20 punten.
Kun je je IQ verhogen?+
Binnen grenzen. Een meta-analyse vond ongeveer 1 tot 5 IQ-punten per extra jaar onderwijs. Breintraining verbetert vooral de geoefende taak zelf; een effect op het dagelijkse denken is nauwelijks aangetoond.
Bronnen
Deze pagina is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en op gegevens van testuitgevers:
- 1.Hartshorne, J. K., & Germine, L. T. (2015). “When does cognitive functioning peak? The asynchronous rise and fall of different cognitive abilities across the life span.” Psychological Science, 26(4), 433–443.
- 2.MIT News (2015). “The rise and fall of cognitive skills” — summary of Hartshorne & Germine (2015).
- 3.Salthouse, T. A. (2009). “When does age-related cognitive decline begin?” Neurobiology of Aging, 30(4), 507–514.
- 4.Tucker-Drob, E. M., de la Fuente, J., Köhncke, Y., Brandmaier, A. M., Nyberg, L., & Lindenberger, U. (2022). “A strong dependency between changes in fluid and crystallized abilities in human cognitive aging.” Science Advances, 8(5), eabj2422.
- 5.Cattell, R. B. (1963). “Theory of fluid and crystallized intelligence: A critical experiment.” Journal of Educational Psychology, 54(1), 1–22.
- 6.Horn, J. L., & Cattell, R. B. (1967). “Age differences in fluid and crystallized intelligence.” Acta Psychologica, 26(2), 107–129.
- 7.Deary, I. J., Yang, J., Davies, G., et al. (2012). “Genetic contributions to stability and change in intelligence from childhood to old age.” Nature, 482(7384), 212–215.
- 8.Flynn, J. R. (1987). “Massive IQ gains in 14 nations: What IQ tests really measure.” Psychological Bulletin, 101(2).
- 9.Pietschnig, J., & Voracek, M. (2015). “One century of global IQ gains: A formal meta-analysis of the Flynn effect (1909–2013).” Perspectives on Psychological Science, 10(3), 282–306.
- 10.Ritchie, S. J., & Tucker-Drob, E. M. (2018). “How much does education improve intelligence? A meta-analysis.” Psychological Science, 29(8), 1358–1369.
- 11.Simons, D. J., Boot, W. R., Charness, N., et al. (2016). “Do ‘brain-training’ programs work?” Psychological Science in the Public Interest, 17(3), 103–186.
- 12.Stern, W. (1912). Die psychologischen Methoden der Intelligenzprüfung. Leipzig: J. A. Barth.
- 13.Wechsler, D. (1939). The Measurement of Adult Intelligence. Williams & Wilkins.
- 14.Resing, W. C. M., & Blok, J. B. (2002). “De classificatie van intelligentiescores. Voorstel voor een eenduidig systeem.” De Psycholoog, mei 2002, 244–249.
- 15.Pearson Clinical Benelux. WPPSI-IV-NL – Wechsler Preschool and Primary Scale of Intelligence, Fourth Edition, Nederlandstalige bewerking.
- 16.Prodia (2021). Diagnostische fiche WPPSI-IV-NL (Wechsler, D., Nederlandse bewerking Hendriksen & Hurks, 2020).
- 17.Pearson Clinical Benelux. WISC-V-NL – Wechsler Intelligence Scale for Children, Fifth Edition, Nederlandstalige bewerking (Hendriks, Ruiter, Schittekatte & Bos).
- 18.Prodia (2020). Diagnostische fiche WISC-V-NL.
- 19.Hogrefe Nederland. IDS-2 – Intelligentie- en ontwikkelingsschalen voor kinderen en jongeren (Nederlandse bewerking Ruiter, Timmerman & Visser, 2018).
- 20.Pearson Clinical Benelux. WAIS-IV-NL – Wechsler Adult Intelligence Scale, Fourth Edition, Nederlandstalige bewerking, 2012.
- 21.Prodia (2020). Diagnostische fiche WAIS-IV-NL.
- 22.Hogrefe Nederland. SON-R 2-8 – Snijders-Oomen niet-verbale intelligentietest (Tellegen & Laros, 2017).
- 23.Hogrefe Nederland. SON-R 6-40 – Snijders-Oomen niet-verbale intelligentietest (Tellegen & Laros, 2011).
Hoe hoog is jouw IQ?
Doe de gratis IQ-test: 27 vragen, ongeveer 12 minuten, uitslag met percentiel en vaardighedenprofiel, zonder account.
Start de gratis test